Goud

Ze hebben hem op de kinderopvang een ijsje gegeven. Chemisch rood met een even onnatuurlijke geur die mierzoet binnen knalt. Hij duwt het ijsje vlak onder mijn neus. “Wil je?”

Nee, ik wil niet, maar ik neem een lik. Geen aardbei. Geen fruit. Hoekig als een klap in het gezicht.

Mijn zoon ziet een wolk. Ik wil doorlopen – ik heb ze al vaak genoeg gezien. Hij laat mijn hand los en ik laat hem los.

“Kijk,” zegt hij en wijst omhoog, “zie je dat?”

Ik zie het niet. Ik zie een blauwe lucht. Ik zie een grijze wolk. Maar ik ervaar geen verwondering zoals hij dat doet.

“Kijk dan!” Ik kijk. En hij wijst.

Lauwwarme avondwind strijkt langs mijn gezicht. Druppels tikken op mijn kruin en kruipen over mijn baard naar beneden.

Het geloei van de trein die langsrijdt versmelt met de krijsende kraaien en de sputterende auto tot achtergrondruis.

Ik leg mijn hoofd in mijn nek.

Mensen kijken naar me – kijken ze naar me? Het maakt niets uit. Nu even niet.

Hij neemt me mee. Naar een wereld waar de lucht rood is en paars is en de wolken goud kleuren in de late avondzon. De schittering is vastgelegd, diep in mijn brein. Maar niet zo diep dat ik hem nooit terug kan vinden.

Ik veeg mijn wang droog.

Wanneer ik hem weer in het gezicht kijk, zie ik hem. Prachtig van zijn donkerbruine ogen tot aan het plukje haar dat altijd overeind staat.

“Je hebt je T-shirt verkeerd om aan,” zeg ik. Het is waar. De print staat aan de achterkant en het labeltje kriebelt tegen zijn kin.

“Dat maakt toch niet uit,” zegt hij glimlachend. En hij pakt mijn hand weer vast. Zijn hand, plakkerig van het ijsje en een beetje modder, ligt in de mijne.

We lopen samen naar huis.

Wil je meer weten over dit gedicht? Lees dan de blogpost Mijn eerste vier werken.