Kwaad bloed & Exotische delicatessen

-Gerard-

De zon staat hoog, de alcohol vloeit rijkelijk en de rokjes zijn kort. Minstens twintig tuintafels, bezaaid met afzichtelijke blauwe parasolletjes – van die decoratieve houten prikkertjes. Een paar staan nog fier overeind in bollen citroen, mango en, God verhoede, passievrucht.

Alsof ze een tropisch regenwoud hebben leeggeroofd. Maar goed, ze hebben er het geld én de Kaukasisch-etnische achtergrond voor. Inclusief de bijbehorende nazibak – een Porsche. Oh, pardon. Een ‘Por-sche’. I know.

“Gerard? Geer, ben jij het?” Die toon. Een schurende, valse bes.

“Maria? Schat, dat is lang geleden.” Ik druk de oude vrouw drie zoenen op de wangen. Ze probeert haar hoofd zo te draaien dat ik haar droge lippen raak, dezelfde lippen die ik uit alle macht probeer te vermijden.

“Het zwarte schaap keert terug op het oude nest.” Ze knipoogt. Haar oog blijft even plakken, vol mascara en omlaag gezakte oogschaduw, die nu blauwig op haar jukbeen glittert.

“Het is mijn broer,” zeg ik, de zwarte-schaapopmerking negerend. “En volgens mij kan Uganda best even zonder me.”

Ze valt stil. Een pijnlijke stilte.

Ik bijt op mijn lip. Het moment lijkt een eeuwigheid te duren.

“Schat,” zeg ik, en knik naar haar longdrinkglas. “Ik zie dat je droogstaat. Refill?”

“Een rum-cola, lieverd,” zegt ze stralend.

Ik sleep mezelf naar de bar, helemaal aan de andere kant van de tuin. Langs de vijver, waar een kitscherig engeltje water sproeit. Fijne druppeltjes waaien mijn kant op.

Achter de bar staat een lange, donkere jongen. Breed en zelfverzekerd. Dat moet ook wel, in dit gezelschap.

“Rum-cola, alsjeblieft. Niet te veel rum.”

De jongen glimlacht, een echte glimlach, waarbij zijn schouders zichtbaar ontspannen. Een pareltje. Zo heb ik er niet veel gezien sinds mijn terugkomst.

Hij mengt de heldere alcohol met de bruisende cola. Soepel in de polsen, swingend in de armbewegingen. Een zure scheut limoensap erbij en een groen schijfje limoen erbovenop. Daarna drukt hij het glas in mijn hand.

Ik kijk nog naar de rug van de jongen als er een kraakheldere ping klinkt – het geluid van Tsjechisch kristal. Mijn broer gaat een toost uitbrengen.

“Even centraal,” zegt hij. “Even verzamelen!” En de gasten schuifelen richting het overdekte terras. Misschien nog snel een Macallan of een Glenfiddich met ijs. Rogier heeft ze vast klaarstaan, zo Schots als een kilt.

“Gé? Kom je?” De beslissing wordt voor me genomen. Mijn broertje kan zijn grote speech niet houden zonder mij.

Met het drankje in mijn linkerhand en mijn goede wil in de rechter, loop ik terug.

Rogier heeft me gespot en zwaait. Ik zwaai terug – en giet het drankje over mijn strakke marineblauwe pak. Lekker in het zicht ook, ergens tussen mijn bovenbeen en mijn kruis. Snel wrijf ik de vlek droog met de bal van mijn hand.

Een scherpe pets, als een kanonschot. Dan stilte.

Jackie huilt. Rogier is vuurrood.

Ik draai het glas om in het hyacintperk en been richting mijn broer en schoonzus, het lege glas nog steeds in de hand. Met overslaande stem gooi ik er een verwensing uit – iets banaals. Hard genoeg om de aandacht van mijn broer te trekken.

-Maria-

De warmte van een familie meet je niet in geld. De tijd die je doorbrengt met elkaar, dát is pas echt waardevol. De familie Donkelvoort is een prachtig voorbeeld. Fijne buren, zorgen nooit voor overlast en staan altijd klaar voor een praatje.

Ook vandaag staat Rogier gewoon glazen af te spoelen in de keuken.

De ambiance is geweldig. Lachende gezichten en geanimeerde gesprekken, onder het genot van een drankje en een bolletje ijs, geserveerd in een blinkende dessertcoupe met een diepblauw parasolletje.

Daar staat de broer, die helemaal vanuit Afrika hierheen gevlogen is. De dokter die weigerde het familiebedrijf over te nemen. De oudste zoon die zijn droom volgt, zou een romanticus zeggen. Of misschien iemand die zijn familieplicht ontvluchtte.

Ik lepel het laatste beetje mango-ijs op. Zó intens. Heerlijk. Alsof ik weer op het strand lig.

Zijn naam… puntje van mijn tong.

“Gerard? Geer, ben jij het?” Hij draait zich om. “Maria? Schat, dat is lang geleden.”

Ik stap op hem af en laat me beetpakken – je moet ergens je plezier vandaan halen. Dan drukt hij drie warme zoenen op mijn wangen. Hele warme zoenen. Mijn wangen gloeien.

Bloos ik? Vast wel.

Verscholen achter mijn wimpers zeg ik plagerig: “Het zwarte schaap keert terug op het oude nest.” Onschuldig, maar niet zó onschuldig, knipoog ik naar hem.

De arme jongen valt stil. Hij kijkt elke kant op, behalve de mijne.

Ik draai mijn hoofd en ik ruik het feest. Mierzoete geuren van ijs, frisse vrouwenparfums, rokerige mannenluchtjes: een prikkelend palet.

Hij kijkt op. En als zijn donkerbruine ogen zich in me boren, gaat er een heerlijke rilling door mijn ruggengraat.

“Het is mijn broer,” zegt hij. “En volgens mij kan Uganda best even zonder me.”

Hij is jong, knap en hongerig. Niet heel geestig, helaas, maar die bruine ogen doen veel vergeten. Hij bijt zachtjes op zijn lip – eindelijk een flirt.

“Schat,” zegt hij – en mijn hart mist één, nee, twee slagen. “Ik zie dat je droogstaat. Refill?”

Ik knik. “Een rum-cola, lieverd.” En ik geniet van de aandacht.

Daar gaat hij. Zijn krullen stuiterend op zijn donkerblauwe pak, met grote passen op weg naar mijn drankje. Wat een gentleman.

Mijn blik valt op de gelige plekken in het gazon. De tuin ligt te bakken in de snikhete zon. Eeuwig zonde. De kopjes van de roze asters hangen slap en de paarse passiebloemen hebben weinig… passie. Ik smak mijn lippen. Zelfs de waterlelies zien er belabberd uit, met grote schroeiplekken op de diepgroene bladeren. Rogiers tuinman verdient een standje.

Over standjes gesproken… Gerard is nog steeds niet terug. Ik tuur naar de overkant, naar de bar, die bijna tegen de kolossale ligusterhaag gedrukt is. Hij praat met de barjongen. Kennen ze elkaar?

Uit verveling pak ik mijn lege glas weer op en draai de ijsblokjes rond.

Een tik – een openslaande deur. Rogier stapt naar buiten met een glazen bokaal, vol ronde en speelse versieringen. Zijn haren staan strak in de lak, een beetje patserig, maar een man mag zichzelf goed verzorgen. Zeker in deze tijd.

Ik zoek Jackie… ze staat even verderop. Prachtig, met dat lange, donkerblonde haar. Die lange benen, all out in the open. De manier waarop ze zich door de mensen beweegt, dat verraadt duidelijk haar ervaring als hostess. Het straalt er gewoon nog steeds vanaf. Elegant en sociaal.

Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe Rogier een lange dessertlepel van tafel grist en schoon likt. Een beetje ordinair.

Met een scherpe ting tikt hij tegen het glaswerk. “Even centraal. Even verzamelen!”

Hij speurt van links naar rechts over de tuin, van de poort, waar nog net een stukje van een sportauto te zien is, over het grindpad, tot aan de enorme pergola.

“Gé? Kom je?” roept hij en wuift.

De gasten vormen een cirkel, nieuwsgierig naar zijn woorden.

Dan buigt Jackie naar hem toe, fluistert in zijn oor. Lieve woordjes? Of… stoute? Ook daar is ze het type voor.

Rogier staart. Hij fronst en knippert en kijkt Jackie aan.

Vervolgens draait hij zich weg en slaat haar zó hard, dat ze bijna valt. Met een klap die echoot in de tuin.

Stilte.

Dan in de verte een rauwe kreet: “Klootzak!”

-Rogier-

Dit is de dag om de zwangerschap aan te kondigen. Zoiets moois. Klein en teer, maar ook groots en sterk. Een nieuw begin dat twee families samensmeedt. Heel bijzonder.

Ik spoel de glazen bokaal af in het lauwwarme water. Echt Boheems kristal, met een fijne gravure van bloemen, vlinders en libellen. Het geluid dat deze rakker geeft is loepzuiver. Ideaal voor de toost.

Dan kijk ik naar buiten. Over de kraan heen, door het keukenraam, naar mijn strakke gazon. Geen vlinders, maar wél een heerlijk zomers grasveldje. Eigenlijk moet ik meer naar buiten. Genieten van de wereld, mezelf niet opsluiten in een keuken. Stoppen met mezelf te verdrinken in werk.

Mijn baan geeft voldoening. Nee, meer nog dan dat. Donkelvoort - Exotische Delicatessen is een begrip. Alles om een leven smaak te geven. Letterlijk en figuurlijk.

En toch is het niet genoeg.

Ik kijk uit over het veldje. Naar Jackie, die net een bloem plukt. De toekomstige moeder van mijn kind.

Een steek van jaloezie. Dat wil ik ook: meer tijd voor mezelf, meer ruimte om me te verwonderen.

Ooit weer, mijmer ik, terwijl ik met een linnen theedoek de Boheemse bokaal afdroog.

Straks pak ik buiten een lepeltje uit een van de ijscoupes. Alsof het allemaal spontaan gaat. Een beetje vals, maar ik wil dat alles samenkomt tot één perfect moment.

Over perfect gesproken… waar is Gerard? Ik werp een blik door de deur, naar buiten. Hij moet erbij zijn straks, bij de toost.

Eeuwig zonde natuurlijk dat zijn moeder er niet bij kon zijn – dat Aruba Airport nét deze week verbouwd wordt. Nu zijn Gerard en de barjongen de enige twee met een kleurtje.

Ik zwaai naar Jackie. Ik wil haar gaan vertellen dat ik de aankondiging ga doen. Ik wil de vreugde op haar gezicht zien.

Ze komt naar binnen met een blauw parasolletje achter haar oor. Zo is ze. Vol met speelsheid die ik kwijt ben.

Voorzichtig sluit ik de deur achter haar. Niemand mag het nog weten.

“Ik ga het vertellen.”

Haar oog trilt. Ik voel de emotie.

“Dit is ook mijn ding, Ro.” Ze wijst naar haar buik. “Misschien was het je nog niet opgevallen, maar het is mijn buik.”

Stom. Ik loop te hard van stapel, dat doe ik wel vaker. Ik wil het samen doen. Met haar. Natuurlijk is het niet alleen mijn ding. Het is ‘wij’.

Ik probeer een glimlach.

“Maak je geen zorgen, het komt allemaal goed.” Ik druk zachtjes mijn lippen op haar voorhoofd en probeer de denkrimpels weg te kussen.

Als ik wegloop legt ze voorzichtig haar hand op mijn bovenarm. Als ik me omdraai zie ik niets dan het blauw in haar ogen.

“Komt goed, schat,” zeg ik en loop naar buiten. De tuin weer in.

Ruim honderd gasten hebben de tijd van hun leven. Ze kletsen in het zonnetje. Ze wandelen over het gras of zitten in de schaduw op het terras. Echt genieten.

Nu komt het grote moment.

Ik pak een lepel uit de bol passievruchtijs en lik hem snel af – ik proef de oorsprong: zoet, vrolijk en bruisend van energie.

Met mijn gedachten nog half bij de Zuid-Amerikaanse vrucht, tik ik tegen het glas. Een krachtige, heldere ping.

Dan speur ik de tuin af, op zoek naar mijn broer. Daar, bij de bar. “Gé? Kom je?”

Jackie komt naast me staan. Ik voel haar adem in mijn oor.

Ze fluistert: “Ik heb je broer genaaid. Twee jaar geleden op een transatlantische vlucht... en vorig jaar nog, bovenop het Perzische tapijt, dat rode met die leeuw erop.”

Wat? Ik… de wereld tolt en ik ben mijn houvast kwijt.

“Het was lang en heet en lekker.”

Niets meer. Alleen een zee van brandend rood. Mijn ademhaling schuurt en stokt.

Natuurlijk wil ik mijn beheersing niet verliezen, nu al helemaal niet. Maar pijn en vernedering beuken genadeloos op me in.

Ik sla haar, zo hard als ik kan.

Zo hard dat mijn hand gloeit. Met een oorverdovende pets.

“Klootzak!” schreeuwt Gerard, ergens in de verte.

Typisch.

-Jackie-

The world is your oyster, zeggen ze. Voor mij is het een toneel. Ik buig voorover om een bloem te plukken. Een rode, in de vorm van een kelk.

De barjongen ziet me: mijn billen, mijn lijf – alles. Dat is wat ik wil. De man naast me wendt zijn hoofd af, maar zijn blik blijft hangen op mijn rondingen. Om de show af te maken fatsoeneer ik mijn knalgele topje.

Ik word gezien, dus ik leef.

Dit soort feestjes zijn mijn ding. De alcohol, en ik weet precies welke mannen er gedronken hebben, is mijn eigen dekmantel én het smeermiddel dat de mensen losser maakt. Aangenamer.

Niet dat iemand me ooit tegenspreekt. Echt aankijkt, echt ziet of met me praat. De ‘vrouw van’ is het understatement van de eeuw.

Ik ben chaos en Rogier is orde, waarbij ieder hoofdhaartje perfect gestyled moet zijn en ieder baardhaartje de juiste lengte moet hebben. Net als die verdomde auto die staat te glimmen op de oprit.

Rogier staat in de bijkeuken. Hij wenkt me. Wenken… gebieden. Ik word ontboden.

Ik loop richting de deur, langs het waterornament, het bloemenperkje, over het grindpad dat knispert onder mijn hoge, zwarte hakken. Mijn toneel. De zon is als een grote spot die op mij schijnt.

HIER BEN IK, VERDOMME.

In het voorbijgaan neem ik de dessertcoupe uit de handen van een man. Hij kijkt me verbaasd aan. Ik pak het blauwe parasolletje uit het ijsje en steek het achter mijn oor. Het kriebelt koud. Dan geef ik de man zijn glaswerk terug. “Dank je.” En ik ga naar binnen.

Rogier doet de deur dicht. We staan samen in de keuken.

“Ik ga het vertellen,” zegt hij vanuit het niets.

Ik bal mijn rechtervuist. “Dit is ook mijn ding, Ro. Misschien was het je nog niet opgevallen, maar het is mijn buik.”

Hij grijnst alleen maar. “Maak je geen zorgen, het komt allemaal goed.” Dan trekt hij me naar zich toe, zijn handen om mijn onderarmen geklemd, en plant een natte kus op mijn voorhoofd.

Hij draait zich al om. Ik trek aan zijn arm, wil zeggen dat ik het nog niet weet. Dat ik er misschien nog niet klaar voor ben. Misschien niet klaar voor ben met hém. Niet klaar om wereldkundig te maken dat ik straks iemand anders word.

Een glimlach. “Komt goed, schat,” herhaalt hij. Dan zwaait hij de deur open – met een keiharde tik tegen de stenen.

Weer wil ik hem vastpakken, maar hij stapt al naar buiten. En ik volg hem. Als altijd.

Ik. Volg. Rogier.

Eenmaal buiten ga ik aan de rand van het terras staan. Rug naar Rogier en naar de gasten. Ik kijk naar het groen van het gras, ieder grassprietje. Een veel te groot gazon. Zo decadent. Niet iets waar de oude Jackie vrolijk van zou worden. De Jackie die rondvloog en de wereld zag. Die goedkope chinees at en nog goedkopere sigaretten rookte tot haar stem rauw werd.

Even rust.

Een ping, snijdend als een mes. “Gé? Kom je?” roept hij.

Een toost…

Zijn aankondiging. Zijn perfecte moment.

Ik loop naar hem toe.

Buig me voorover, totdat mijn lippen bijna zijn oor raken. “Ik heb je broer genaaid,” sis ik. “Twee jaar geleden op een transatlantische vlucht... en vorig jaar nog, bovenop het Perzische tapijt, dat rode met die leeuw erop.”

Zijn mond valt open.

“Het was lang en heet en lekker.”

Het dringt langzaam tot hem door. Heerlijk. Een moment om lang van te —

Met een snelheid die ik nog nooit van hem heb gezien, slaat hij me keihard. Een felle pijnscheut. Dan doffe pijn, die uitstraalt van mijn kaak naar mijn linkerschouder. Ik proef bloed op mijn tong. Het smaakt goed. Helemaal niet bitter.

Mijn oor suist. Iemand schreeuwt: “Klootzak!”

De mensen kijken naar me.

-De Barjongen-

De dingen die je hoort als barman. Correctie, als zwárte barman. Alsof je niet bestaat. Een schim bent in hun wereld. Of een schaduw.

Zij heeft lopen pochen over haar affaire, bij een van haar vriendinnen. Gewoon waar ik bij stond. En hij heeft me verteld dat hij zo blij is dat zijn broer nu niet “de enige bruine jongen” op het feest is. Letterlijk zijn woorden. Alsof ik een attribuut ben, een paar handjes om te gebruiken. En straks te vergeten.

Zweet prikt in mijn ogen. Ik veeg het weg.

Ignorance is bliss. Zij vergeten. Maar als ik morgen opsta, weet ik alles nog.

Er klinkt een kristallen ping in de verte en iedereen loopt weg van me, naar de heer des huizes die met het glas rondzwaait alsof het de wereldbeker is.

Hij lijkt gelukkig. De gasten ook.

Ze lachen. Ze drinken. Ze eten ijs in de schaduw.

Ik open de kleine vriezer en schep ijsblokjes in een breed tumblerglas. Dan klets ik er dure whisky overheen.

Die is voor mij.

Wil je meer weten over dit verhaal? Lees dan de blogpost Mijn eerste vier werken.